![]() |
![]() |
![]() |
|
Natuur Landschap, natuur en natuurontwikkeling.
Landgoed de
Eese ligt
als een lage
stuwwal op
een uitloper
van het
Drents
keileemplateau.
Deze ligging
temidden van
voormalige
veengebieden
maakt de
Eese
bijzonder.
Aan
weerszijden
wordt het
gebied
begrensd
door
beekdalen,
in het
noordwesten
de
Lindevallei
en in het
zuidoosten
het beekdal
van de
Vledder Aa. Voorbij Steenwijk gaat het keileemplateau over in het kleinschalige landschap rond Paaslo, met veel houtwallen. Richting Wilhelminaoord en Vledder begint een landgoederengebied (Maatschappij van Weldadigheid en Het Drentse Landschap) met boerderijen, landbouwgronden, boswachterijen (Staatsbosbeheer) kleine houtopstanden en enkele restanten van veentjes. Landgoed de Eese is een prachtig en karakteristiek bos- en natuurgebied. Het landschap bestaat uit een afwisseling van bos (47%), landbouwpercelen (37 %), weilanden (10%), heide, vennen en poelen (3%) en wegen en sloten (3%). De landschapstypen op het landgoed weerspiegelen de bodemgesteldheid en het grondgebruik in verleden en heden. Op voor landbouw ongunstige gronden (te nat of te droog) is meestal bos aangeplant. Behalve bos zijn er landbouwpercelen, graslanden, houtsingels, poelen, vennen en enkele veentjes en heideterreintjes aanwezig. Het inrichtingsplan natuurontwikkeling is het centrale onderdeel van de landgoedvisie van de Eese. In dit plan wordt de ambitie beschreven om 255 ha. landbouwgrond om te vormen naar natuur, waarbij een grote robuuste eenheid ontstaat, welke invulling geeft aan de ecologische hoofdstructuur Onderstaand een beschrijving van de bestaande natuurtypen en natuurwaardes op landgoed de Eese. Bos Het bos, 47 % van de Eese, valt onder het type 'Boslandschap op arme en lemige zandgrond'. De bossen zijn beperkt in het aantal soorten bomen. Er bevinden zich vrij veel naaldhoutopstanden en exoten: larix, fijnspar, douglas, Amerikaanse eik, Amerikaanse vogelkers, robinia, tamme kastanje, voornamelijk gericht op de productiefunctie. In de jaren 70 zijn na omvangrijke 'stormschade' flinke oppervlaktes ingeplant met monoculturen naaldhout. Vanwege de natte bodem van veel bospercelen is de groei soms slecht en blijven de bomen gevoelig voor stormschade vanwege ondiepe beworteling, als gevolg van de relatief hoge grondwaterstand. Behalve op productie gerichte percelen (met name aan de Drentse zijde) zijn aan de Overijsselse zijde van het landgoed ook oudere bossen aanwezig, waarin loofhout (zomereik, beuk, ruwe berk, wilde lijsterbes, vuilboom, hazelaar) domineert. Op de lemige ondergrond zijn hier lokaal rijkere bostypes aanwezig met o.a. zoete kers, haagbeuk (hoogstwaarschijnlijk niet autochtoon, zaait zich uit), sleedoorn, tweestijlige meidoorn en mogelijk wilde appel (autochtoon op de Woldberg, aan de grens met de Eese). In de kruidlaag zijn op plekken met een oude en lemige bosbodem lokaal o.a. bosanemoon (zeer lokaal), kruipend zenegroen, bosandoorn, klaverzuring (vrij algemeen) aangetroffen. Verder zijn op een aantal plaatsen dalkruid, lelietje der dalen en andere soorten van oudere niet voedselrijke bossen aanwezig. De bossen worden inmiddels beheerd volgens de methode van geïntegreerd bosbeheer, waarbij de natuurfunctie steeds belangrijker wordt. Recent zijn inheemse soorten (o.a. hazelaar, linde, es, lijsterbes, haagbeuk) ingebracht zodat meer zaadbronnen ontstaan voor spontane natuurlijke verjonging van loofhoutsoorten die van nature in het bos thuishoren, maar door bosbouw niet meer aanwezig zijn of schaars zijn geworden. Verder wordt steeds meer gebruik gemaakt van boomsoorten als gewone es die beter bestand zijn tegen de natte bodem op de Eese. Op landgoed de Eese komen zo’n 85 soorten broedvogels voor, waarvan de meeste zijn gebonden aan (loof)bos. Meer bijzondere soorten zijn o.a. appelvink, fluiter en zomertortel. In maart is het mogelijk om op een ochtendwandeling vier soorten spechten te zien of te horen: grote bonte specht, kleine bonte specht, groene specht en zwarte specht! Onder de zoogdieren komen o.a. ree, eekhoorn, das en steenmarter in de bossen voor. Recent is ook het voorkomen van de boommarter vastgesteld, een bijzondere soort. Graslanden De huidige graslanden – ondergebracht in de regeling Subsidie Agrarisch Natuurbeheer (SAN) - beslaan 37 % van het oppervlak van landgoed de Eese. Graslanden zijn op de Eese na bos dus de belangrijkste levensgemeenschap. De natuurwaarden hebben zich na verschralingsbeheer goed ontwikkeld. De vegetatie bestaat uit soorten die afkomstig zijn van zaadmengsels, karakteristiek voor matig voedselrijke tot schrale gronden. Onder andere margriet, knoopkruid, reukgras, smalle weegbree, wilde peen, sint janskruid, wilde marjolein, steenanjer, zandblauwtje, middelste en grote teunisbloem, jacobskruiskruid, gewone rolklaver, gewone engelwortel, rode klaver en boerenwormkruid kunnen op de Eese gevonden worden. De meeste fauna is aan te treffen langs de ruigere randen van de percelen. Hier zijn sporadisch de volgende minder algemene en weinig mobiele soorten aangetroffen: greppelsprinkhaan, poelkikker, kamsalamander, levendbarende hagedis en ringslang. Mobiele soorten hebben de graslanden vlot gekoloniseerd. In de zomer roepen kwartels vanuit de schrale, drogere hooilanden. Vanuit nattere graslanden roept af en toe de kwartelkoning. Veldleeuweriken hangen hoog in de lucht te zingen. Kerkuilen, steenuilen, torenvalken, grauwe klauwieren en steenuilen hebben de graslanden en ruige zomen gekoloniseerd, aangetrokken door de vele muizen. Het aantal broedpaartjes van geelgors en roodborsttapuit is toegenomen en ook het paapje wordt af en toe waargenomen. Nestjes van de dwergmuis zijn af en toe te vinden in de ruige zomen. Na het invallen van de schemering struinen dassen sinds twee jaar de graslanden af, op zoek naar voedsel. Hieruit volgt dat de huidige graslanden al (heel) bijzonder zijn wat betreft mobielere soorten. Het spreekt voor zich dat de graslanden, vanwege de kwetsbare flora en fauna, niet vrij toegankelijk zijn. Heide Aan de Drentse kant van de Eese bevinden zich nog twee kleine geïsoleerde heideterreinen; de Meenpoel (10 ha) en de heide van Beene (9 ha). De heide van Beene is structuurrijk door de aanwezigheid van kleine onbegroeide plekken in combinatie met oude pijpenstropollen, oude heide en verspreide opslag van lage struiken. Met name de oude pijpenstrovegetatie is belangrijk; dit is het voorkeurshabitat van de adder en essentieel voor de overwintering van de Noorse winterjuffer. Op zo'n 2 km afstand van beide heideterreintjes ligt in het noordoosten een natuurterrein van Het Drentse Landschap, het Nijenslekerveld, waarvan ongeveer 18 ha uit heide bestaat. Het Nijenslekerveld, de Meenpoel en de heide van Beene waren tot ongeveer 1940 onderdeel van een aaneengesloten heidegebied, het Nijenslekerveld. De heiderestanten bepalen, samen met de vennen en veentjes, de natuurwaarden van het Drentse deel van de Eese. De vegetatie bevat behalve struik- en dopheide een aantal karakteristieke soorten van natte heide, droge heide en heischraal grasland: stekelbrem, kruipbrem, blauwe knoop, ronde zonnedauw, kleine zonnedauw, tormentil, moerasviooltje en klokjesgentiaan. In en bij de veentjes groeien o.a. wateraardbei, snavelbies, gewone veenbies en moerasviooltje. De Meenpoel en de heide van Beene worden niet begraasd en zijn daarom relatief structuurrijk, met relatief veel oude heidestruiken. Het beheer bestaat uit het verwijderen van opslag en plaggen. Met betrekking tot de fauna zijn de heideterreinen rijk aan amfibieën (o.a. heikikker en poelkikker) reptielen (adder, ringslang, hazelworm en levendbarende hagedis) libellen (o.a. Noordse winterjuffer, gevlekte witsnuitlibel en Noordse glazenmaker) en vlinders (o.a. heideblauwtje en bruine vuurvlinder). Vennen en poelen Op landgoed de Eese zijn verschillende typen wateren aanwezig: vennen, veentjes, poelen, (kleine) meertjes en vijvers. Gezamenlijk beslaan deze nog geen 3 % van het totaaloppervlak van het landgoed. Vennen zijn wateren op voedselarme zandgronden die over het algemeen gevoed worden door regenwater. Veentjes zijn natte laagtes in voedselarme terreinen, waar veenvorming optreedt of heeft plaatsgevonden en waar geen open water meer zichtbaar is. Poelen zijn kleine door de mens gegraven landschapselementen, ze bevatten in tegenstelling tot vennen voedselrijk (grond)water. Meertjes zijn grotere gegraven wateren, die op de Eese vaak gevoed worden door afstroom van water van elders. Over het algemeen zijn ze voedselrijk en bevatten ze vis. Vijvers zijn gegraven wateren op erven of in tuinen.. Op landgoed de Eese zijn 12 vennen en veentjes aanwezig, alle aan de Drentse kant van de Eese. Vennen en veentjes zijn karakteristieke en waardevolle landschapselementen met hoge landschaps-, natuur- en geologische waarden. Ze liggen op plaatsen waar water stagneert en een ondoordringbare laag in de ondergrond aanwezig is, vaak tengevolge van de aanwezigheid van keileem. De meeste zijn ontstaan na turfwinning in het verleden. De vennen hebben hoge natuurwaarden. Op de oevers groeien bijzondere planten (o.a. ronde zonnedauw en wateraardbei). Vennen zijn heel belangrijk voor de voortplanting van amfibieën en libellen. De dodaars is een regelmatige broedvogel. Op de Eese zijn 7 poelen aanwezig. De meeste zijn ooit gegraven als drinkplaats voor het vee, om overtollig regenwater op te vangen of zijn ontstaan na het winnen van leem, turf of zand. De poelen liggen in bospercelen of aan de rand van landbouwpercelen. In en rond de poelen komen o.a. kamsalamanders en ringslangen voor. De meertjes (3 stuks) zijn doorgaans meteen vanaf de oevers begroeid met wilgen, laurierkers en opgaand bos en daardoor nauwelijks zichtbaar. Vanwege de aanwezigheid van vis zijn de natuurwaarden wat betreft libellen en amfibieën gering. Landbouw Zoals uitvoerig beschreven in de Integrale Visie (link plaatsen!), is Landgoed de Eese in principe voornemens 255 ha landbouwgrond om te zetten naar natuur. Hiertoe wordt reeds 260 ha van de 350 ha landbouwgrond geëxploiteerd middels de SAN (Subsidieregeling Agrarisch natuurbeheer). In de randzones van de Eese blijft ruimte gereserveerd voor (niet intensieve) landbouw. Ca 70 ha is en zal blijvend verpacht worden aan agrariërs. Het streven is om in de toekomst door uitruil de bedrijfsvoering van deze agrariërs langs de randen van de Eese te optimaliseren. Agrariërs uit de omgeving kunnen verder een rol vervullen bij het (maai)beheer en zo een bijdrage leveren in de vorm van agrarisch natuurbeheer. Op dit gebied kan landgoed de Eese mogelijk een voorbeeldfunctie ontwikkelen met aanvullende voorlichting en educatie. De natuurontwikkeling op de Eese maakt het landgoed als geheel aantrekkelijker voor extensieve recreatie. Agrariërs rond het landgoed kunnen hiervan meeprofiteren door bijvoorbeeld realisatie van 'Bed and breakfast'. Ook de verkoop van streekeigen producten behoort tot de mogelijkheden.
|
|||||||||||||||
|
|
|